Auteurswet 1912

Download Ascii-versie

Terug naar hoofdpagina



1. De aard van het auteursrecht
2. De maker van het werk
3. De werken, waarop auteursrecht bestaat
4. Het openbaar maken
5. Het verveelvoudigen
6. De beperkingen van het auteursrecht
III. De duur van het auteursrecht
IV. Wijziging van de Faillissementswet en van het Wetboek van Strafrecht
V. Bijzondere bepalingen betreffende filmwerken
VI. Bijzondere bepalingen betreffende computerprogramma's
VII. Bescherming van na het verstrijken van de beschermingsduur openbaar gemaakte werken
VIII. Overgangs- en slotbepalingen



Geconsolideerde versie, geldig vanaf 01-09-2004
De Auteurswet van 23 september 1912, Stb. 1912, 308, houdende nieuwe regeling van het auteursrecht,
zoals deze wet laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 18 augustus 2004, Stb. 2004, 410.
------------------------

Hoofdstuk I. Algemeene bepalingen

§7 1. De aard van het auteursrecht

Artikel 1

Het auteursrecht is het uitsluitend recht van den maker van een werk van letterkunde, wetenschap of
kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de
beperkingen, bij de wet gesteld.

Artikel 2

1. Het auteursrecht gaat over bij erfopvolging en is vatbaar voor gehele of gedeeltelijke overdracht.

2. De levering vereist voor gehele of gedeeltelijke overdracht, geschiedt door een daartoe bestemde akte.
De overdracht omvat alleen die bevoegdheden waarvan dit in de akte is vermeld of uit de aard of
strekking van de titel noodzakelijk voortvloeit.

3. Het auteursrecht, hetwelk toekomt aan den maker van het werk, zoomede, na het overlijden des makers,
het auteursrecht op niet openbaar gemaakte werken, hetwelk toekomt aan dengene, die het als erfgenaam
of legataris van den maker verkregen heeft, is niet vatbaar voor beslag.

------------------------

§ 2. De maker van het werk

Artikel 3

[Vervallen.]

Artikel 4

1. Behoudens bewijs van het tegendeel wordt voor den maker gehouden hij die op of in het werk als zoodanig
is aangeduid, of bij gebreke van zulk eene aanduiding, degene, die bij de openbaarmaking van het werk als
maker daarvan is bekend gemaakt door hem, die het openbaar maakt.

2. Wordt bij het houden van een niet in druk verschenen mondelinge voordracht geen mededeling omtrent de
maker gedaan, dan wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, voor de maker gehouden hij die de
mondelinge voordracht houdt.

Artikel 5

1. Van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, hetwelk bestaat uit afzonderlijke werken van twee
of meer personen, wordt, onverminderd het auteursrecht op ieder werk afzonderlijk, als de maker
aangemerkt degene, onder wiens leiding en toezicht het gansche werk is tot stand gebracht, of bij
gebreke van dien, degene, die de verschillende werken verzameld heeft.

2. Als inbreuk op het auteursrecht op het gansche werk wordt beschouwd het verveelvoudigen of openbaar
maken van eenig daarin opgenomen afzonderlijk werk, waarop auteursrecht bestaat, door een ander dan
den maker daarvan of diens rechtverkrijgenden.

3. Is zulk een afzonderlijk werk niet te voren openbaar gemaakt, dan wordt, tenzij tusschen partijen
anders is overeengekomen, als inbreuk op het auteursrecht op het gansche werk beschouwd het
verveelvoudigen of openbaar maken van dat afzonderlijk werk door den maker daarvan of diens
rechtverkrijgenden, indien daarbij niet het werk vermeld wordt, waarvan het deel uitmaakt.

Artikel 6

Indien een werk is tot stand gebracht naar het ontwerp van een ander en onder diens leiding en toezicht,
wordt deze als de maker van dat werk aangemerkt.

Artikel 7

Indien de arbeid, in dienst van een ander verricht, bestaat in het vervaardigen van bepaalde werken
van letterkunde, wetenschap of kunst, dan wordt, tenzij tusschen partijen anders is overeengekomen,
als de maker van die werken aangemerkt degene, in wiens dienst de werken zijn vervaardigd.

Artikel 8

Indien eene openbare instelling, eene vereeniging, stichting of vennootschap, een werk als van haar
afkomstig openbaar maakt, zonder daarbij eenig natuurlijk persoon als maker er van te vermelden,
wordt zij, tenzij bewezen wordt, dat de openbaarmaking onder de bedoelde omstandigheden
onrechtmatig was, als de maker van dat werk aangemerkt.

Artikel 9

Indien op of in eenig in druk verschenen exemplaar van het werk de maker niet, of niet met zijn waren
naam, is vermeld, kan tegenover derden het auteursrecht ten behoeve van den rechthebbende worden
uitgeoefend door dengene, die op of in dat exemplaar van het werk als de uitgever ervan is aangeduid,
of bij gebreke van zoodanige aanduiding, door dengene, die op of in het exemplaar van het werk als de
drukker ervan is vermeld.

------------------------

§ 3. De werken, waarop auteursrecht bestaat

Artikel 10

1. Onder werken van letterkunde, wetenschap of kunst verstaat deze wet:

1°. boeken, brochures, nieuwsbladen, tijdschriften en alle andere geschriften;
2°. tooneelwerken en dramatisch-muzikale werken;
3°. mondelinge voordrachten;
4°. choreografische werken en pantomimes;
5°. muziekwerken met of zonder woorden;
6°. teeken-, schilder-, bouw- en beeldhouwwerken, lithografieën, graveer- en andere plaatwerken;
7°. aardrijkskundige kaarten;
8°. ontwerpen, schetsen en plastische werken, betrekkelijk tot de bouwkunde, de aardrijkskunde,
     de plaatsbeschrijving of andere wetenschappen;
9°. fotografische werken;
10°. filmwerken
11°. werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen van nijverheid;
12°. computerprogramma's en het voorbereidend materiaal;

en in het algemeen ieder voortbrengsel op het gebied van letterkunde, wetenschap of kunst, op welke
wijze of in welken vorm het ook tot uitdrukking zij gebracht.

2. Verveelvoudigingen in gewijzigde vorm van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, zoals
vertalingen, muziekschikkingen, verfilmingen en andere bewerkingen, zomede verzamelingen van
verschillende werken, worden, onverminderd het auteursrecht op het oorspronkelijke werk, als
zelfstandige werken beschermd.

3. Verzamelingen van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen, systematisch of methodisch
geordend, en afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins toegankelijk, worden, onverminderd
andere rechten op de verzameling en onverminderd het auteursrecht of andere rechten op de in de
verzameling opgenomen werken, gegevens of andere elementen, als zelfstandige werken beschermd.

4. Verzamelingen van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen als bedoeld in het derde lid,
waarvan de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud in kwalitatief of kwantitatief
opzicht getuigt van een substantiële investering behoren niet tot de in het eerste lid, onder 1°,
genoemde geschriften.

5. Computerprogramma's behoren niet tot de in het eerste lid, onder 1°, genoemde geschriften.

Artikel 11

Er bestaat geen auteursrecht op wetten, besluiten en verordeningen, door de openbare macht
uitgevaardigd, noch op rechterlijke uitspraken en administratieve beslissingen.

------------------------

§ 4. Het openbaar maken

Artikel 12

1. Onder de openbaarmaking van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt mede verstaan:

1°. de openbaarmaking van eene verveelvoudiging van het geheel of een gedeelte van het werk;
2°. de verbreiding van het geheel of een gedeelte van het werk of van eene verveelvoudiging daarvan,
zoolang het niet in druk verschenen is;
3°. het verhuren of uitlenen van het geheel of een gedeelte van een exemplaar van het werk met
uitzondering van bouwwerken en werken van toegepaste kunst, of van een verveelvoudiging daarvan
die door de rechthebbende of met zijn toestemming in het verkeer is gebracht;
4°. de voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in het openbaar van het geheel of een gedeelte
van het werk of van eene verveelvoudiging daarvan;
5°. het uitzenden van een in een radio- of televisieprogramma opgenomen werk door middel van een
satelliet of een andere zender of een omroepnetwerk als bedoeld in artikel 1, onderdeel q, van
de Mediawet.

2. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid, onder 3°, wordt verstaan het voor een beperkte tijd
en tegen een direct of indirect economisch of commercieel voordeel voor gebruik ter beschikking stellen.

3. Onder uitlenen als bedoeld in het eerste lid, onder 3°, wordt verstaan het voor een beperkte tijd en
zonder direct of indirect economisch of commercieel voordeel voor gebruik ter beschikking stellen
door voor het publiek toegankelijke instellingen.

4. Onder een voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in het openbaar wordt mede begrepen die
in besloten kring, tenzij deze zich beperkt tot de familie-, vrienden- of daaraan gelijk te stellen kring,
en voor de toegang tot de voordracht, op- of uitvoering of voorstelling geen betaling, in welke vorm ook,
geschiedt. Hetzelfde geldt voor een tentoonstelling.

5. Onder een voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in het openbaar wordt niet begrepen die
welke uitsluitend dient tot het onderwijs dat vanwege de overheid of vanwege een rechtspersoon
zonder winstoogmerk wordt gegeven, voor zover de voordracht, op- of uitvoering of voorstelling deel
uitmaakt van het schoolwerkplan of leerplan voor zover van toepassing, of tot een wetenschappelijk doel.

6. Als afzonderlijke openbaarmaking wordt niet beschouwd de gelijktijdige uitzending van een in een
radio- of televisieprogramma opgenomen werk door hetzelfde organisme dat dat programma
oorspronkelijk uitzendt.

7. Onder het uitzenden van een in een radio- of televisieprogramma opgenomen werk door middel
van een satelliet wordt verstaan de handeling waarbij de programmadragende signalen voor ontvangst
door het publiek onder controle en verantwoordelijkheid van de omroeporganisatie worden ingevoerd
in een ononderbroken mededelingenketen die naar de satelliet en terug naar de aarde voert.
Indien de programmadragende signalen in gecodeerde vorm worden uitgezonden, is er sprake van
het uitzenden van een in een radio- of televisieprogramma opgenomen werk door middel van een satelliet,
indien de middelen voor het decoderen van de uitzending door of met toestemming van de
omroeporganisatie ter beschikking van het publiek worden gesteld.

Artikel 12a

1. Indien de maker het verhuurrecht, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder 3°, met betrekking tot
een op een fonogram vastgelegd werk van letterkunde, wetenschap of kunst aan de producent
daarvan heeft overgedragen, is de producent de maker een billijke vergoeding verschuldigd voor
de verhuur.

2. Van het in het eerste lid bedoelde recht op een billijke vergoeding kan geen afstand worden gedaan.

Artikel 12b

Indien een exemplaar van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst door of met toestemming van
de maker of zijn rechtverkrijgende voor de eerste maal in een van de lidstaten van de Europese Unie
of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte in het
verkeer is gebracht door eigendomsoverdracht, dan vormt het anderszins in het verkeer brengen van
dat exemplaar, met uitzondering van verhuur en uitlening, geen inbreuk op het auteursrecht.

------------------------

§ 5. Het verveelvoudigen

Artikel 13

Onder de verveelvoudiging van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt mede verstaan
de vertaling, de muziekschikking, de verfilming of tooneelbewerking en in het algemeen iedere geheele
of gedeeltelijke bewerking of nabootsing in gewijzigden vorm, welke niet als een nieuw, oorspronkelijk
werk moet worden aangemerkt.

Artikel 13a

Onder de verveelvoudiging van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet verstaan de
tijdelijke reproductie die van voorbijgaande of incidentele aard is, en die een integraal en essentieel
onderdeel vormt van een technisch procédé dat wordt toegepast met als enig doel

a) de doorgifte in een netwerk tussen derden door een tussenpersoon of
b) een rechtmatig gebruik

van een werk mogelijk te maken, en die geen zelfstandige economische waarde bezit.

Artikel 14

Onder het verveelvoudigen van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt mede verstaan het
vastleggen van dat werk of een gedeelte daarvan op enig voorwerp dat bestemd is om een werk ten gehore
te brengen of te vertonen.

------------------------

§ 6. De beperkingen van het auteursrecht

Artikel 15

1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd
het overnemen van nieuwsberichten, gemengde berichten, of artikelen over actuele economische, politieke,
godsdienstige of levensbeschouwelijke onderwerpen alsmede van werken van dezelfde aard die in een
dag-, nieuws- of weekblad, tijdschrift, radio- of televisieprogramma of ander medium dat eenzelfde
functie vervult, zijn openbaar gemaakt, indien:

1°. het overnemen geschiedt door een dag-, nieuws- of weekblad of tijdschrift, in een radio- of
televisieprogramma of ander medium dat een zelfde functie vervult;
2°. artikel 25 in acht wordt genomen;
3°. de bron, waaronder de naam van de maker, op duidelijke wijze wordt vermeld; en
4°. het auteursrecht niet uitdrukkelijk is voorbehouden.

2. Ten aanzien van nieuwsberichten en gemengde berichten kan een voorbehoud als bedoeld in het eerste
lid, onder 4° niet worden gemaakt.

3. Dit artikel is mede van toepassing op het overnemen in een andere taal dan de oorspronkelijke.

Artikel 15a

1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet
beschouwd het citeren uit een werk in een aankondiging, beoordeling, polemiek of wetenschappelijke
verhandeling of voor een uiting met een vergelijkbaar doel mits:

1°. het werk waaruit geciteerd wordt rechtmatig openbaar gemaakt is;
2°. het citeren in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer
redelijkerwijs geoorloofd is en aantal en omvang der geciteerde gedeelten door het te bereiken
doel zijn gerechtvaardigd;
3°. artikel 25 in acht wordt genomen; en
4°. voor zover redelijkerwijs mogelijk, de bron, waaronder de naam van de maker, op duidelijke
wijze wordt vermeld.

2. Onder citeren wordt in dit artikel mede begrepen het citeren in de vorm van persoverzichten
uit in een dag-, nieuws- of weekblad of tijdschrift verschenen artikelen.

3. Dit artikel is mede van toepassing op het citeren in een andere taal dan de oorspronkelijke.

Artikel 15b

Als inbreuk op het auteursrecht op een door of vanwege de openbare macht openbaar gemaakt werk
van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd verdere openbaarmaking of verveelvoudiging
daarvan, tenzij het auteursrecht, hetzij in het algemeen bij wet, besluit of verordening, hetzij in een
bepaald geval blijkens mededeling op het werk zelf of bij de openbaarmaking daarvan uitdrukkelijk is
voorbehouden. Ook als een zodanig voorbehoud niet is gemaakt, behoudt de maker echter het uitsluitend
recht, zijn werken, die door of vanwege de openbare macht zijn openbaar gemaakt, in een bundel
verenigd te doen verschijnen.

Artikel 15c

1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet
beschouwd het uitlenen als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder 3°, van het geheel of een gedeelte
van een exemplaar van het werk of van een verveelvoudiging daarvan die door de rechthebbende of met
zijn toestemming in het verkeer is gebracht, mits degene die de uitlening verricht of doet verrichten een
billijke vergoeding betaalt. De eerste zin is niet van toepassing op een werk als bedoeld in artikel 10,
eerste lid, onder 12° tenzij dat werk onderdeel uitmaakt van een van gegevens voorziene
informatiedrager en uitsluitend dient om die gegevens toegankelijk te maken.

2. Instellingen van onderwijs en instellingen van onderzoek en de aan die instellingen verbonden
bibliotheken en de Koninklijke Bibliotheek zijn vrijgesteld van de betaling van een vergoeding voor
uitlenen als bedoeld in het eerste lid.

3. Bibliotheken, bekostigd door de Stichting fonds voor het bibliotheekwerk voor blinden en
slechtzienden, zijn voor het uitlenen ten behoeve van de bij deze bibliotheken ingeschreven blinden
en slechtzienden vrijgesteld van betaling van de in het eerste lid bedoelde vergoeding.

4. De in het eerste lid bedoelde vergoeding is niet verschuldigd indien de betalingsplichtige kan
aantonen dat de maker of diens rechtverkrijgende afstand heeft gedaan van het recht op een billijke
vergoeding. De maker of diens rechtverkrijgende dient de afstand schriftelijk mee te delen aan de
in de artikelen 15d en 15f bedoelde rechtspersonen.

Artikel 15d

De hoogte van de in artikel 15c, eerste lid, bedoelde vergoeding wordt vastgesteld door een door
Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen aan te wijzen stichting waarvan het bestuur zodanig is samengesteld dat de belangen
van de makers of hun rechtverkrijgenden en de ingevolge artikel 15c, eerste lid, betalingsplichtigen op
evenwichtige wijze worden behartigd. De voorzitter van het bestuur van deze stichting wordt benoemd
door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen. Het aantal bestuursleden van deze stichting dient oneven te zijn.

Artikel 15e

Geschillen met betrekking tot de in artikel 15c, eerste lid, bedoelde vergoeding worden in eerste
aanleg bij uitsluiting beslist door de rechtbank te 's-Gravenhage.

Artikel 15f

1. De betaling van de in artikel 15c bedoelde vergoeding dient te geschieden aan een door Onze
Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
aan te wijzen naar hun oordeel representatieve rechtspersoon, die met uitsluiting van anderen belast is
met de inning en de verdeling van deze vergoeding. In aangelegenheden betreffende de vaststelling van
de hoogte van de vergoeding en de inning daarvan alsmede de uitoefening van het uitsluitende recht
vertegenwoordigt de in de vorige zin bedoelde rechtspersoon de rechthebbenden in en buiten rechte.

2. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, staat onder toezicht van het College van Toezicht,
bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten.

3. De verdeling van de geïnde vergoedingen geschiedt overeenkomstig een reglement, dat is opgesteld
door de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, en dat is goedgekeurd door het College van Toezicht,
bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten.

Artikel 15g

Degene die tot betaling van de in artikel 15c, eerste lid, bedoelde vergoeding verplicht is, is gehouden,
voor zover geen ander tijdstip is overeengekomen, vóór 1 april van ieder kalenderjaar aan de in
artikel 15f, eerste lid, bedoelde rechtspersoon opgave te doen van het aantal rechtshandelingen,
bedoeld in artikel 15c . Hij is voorts gehouden desgevraagd aan deze rechtspersoon onverwijld de
bescheiden of andere informatiedragers ter inzage te geven, waarvan kennisneming noodzakelijk is
voor de vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de vergoeding.

Artikel 15h

Tenzij anders overeengekomen, wordt niet als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde,
wetenschap of kunst beschouwd het door middel van een besloten netwerk beschikbaar stellen van een
werk dat onderdeel uitmaakt van verzamelingen van voor het publiek toegankelijke bibliotheken en musea
of archieven die niet het behalen van een direct of indirect economisch of commercieel voordeel
nastreven, door middel van daarvoor bestemde terminals in de gebouwen van die instellingen aan
individuele leden van het publiek voor onderzoek of privé-studie.

Artikel 15i

1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet
beschouwd de verveelvoudiging of openbaarmaking die uitsluitend bestemd is voor mensen met een
handicap, mits deze direct met de handicap verband houdt, van niet commerciële aard is en wegens
die handicap noodzakelijk is.

2. Voor de verveelvoudiging of openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, is ten behoeve van de
maker of diens rechtverkrijgenden een billijke vergoeding verschuldigd.

Artikel 16

1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet
beschouwd de verveelvoudiging of openbaarmaking van gedeelten ervan uitsluitend ter toelichting
bij het onderwijs, voor zover dit door het beoogde, niet-commerciële doel wordt gerechtvaardigd,
mits:

1°. het werk waaruit is overgenomen rechtmatig openbaar gemaakt is;
2°. het overnemen in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer
redelijkerwijs geoorloofd is;
3°. artikel 25 in acht wordt genomen;
4°. Voor zover redelijkerwijs mogelijk, de bron, waaronder de naam van de maker, op duidelijke wijze
wordt vermeld; en
5°. aan de maker of zijn rechtverkrijgenden een billijke vergoeding wordt betaald.

2. Waar het geldt een kort werk of een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid onder 6°., onder 9°.
of onder 11°. mag voor hetzelfde doel en onder dezelfde voorwaarden het gehele werk worden overgenomen.

3. Waar het het overnemen in een compilatiewerk betreft, mag van dezelfde maker niet meer worden
overgenomen dan enkele korte werken of korte gedeelten van zijn werken, en waar het geldt werken als
bedoeld in artikel 10, eerste lid onder 6°., onder 9°. of onder 11°. niet meer dan enkele van die werken en
in zodanige verveelvoudiging, dat deze door haar grootte of door de werkwijze, volgens welke zij
vervaardigd is, een duidelijk verschil vertoont met het oorspronkelijke met dien verstande, dat wanneer
van deze werken er twee of meer verenigd openbaar zijn gemaakt, die verveelvoudiging slechts ten aanzien
van een daarvan geoorloofd is.

4. De bepalingen van dit artikel zijn mede van toepassing ten aanzien van het overnemen in een andere taal
dan de oorspronkelijke.

Artikel 16a

Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet beschouwd
een korte opname, weergave en mededeling ervan in het openbaar in een foto-, film-, radio- of
televisiereportage voor zover zulks voor het behoorlijk weergeven van de actuele gebeurtenis welke het
onderwerp der reportage uitmaakt, gerechtvaardigd is en mits, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de
bron, waaronder de naam van de maker, duidelijk wordt vermeld.

Artikel 16b

1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet
beschouwd de verveelvoudiging welke beperkt blijft tot enkele exemplaren en welke uitsluitend
dient tot eigen oefening, studie of gebruik van de natuurlijke persoon die zonder direct of indirect
commercieel oogmerk de verveelvoudiging vervaardigt of tot het verveelvoudigen uitsluitend ten
behoeve van zichzelf opdracht geeft.

2. Waar het geldt een dag-, nieuws- of weekblad of een tijdschrift of een boek of de partituur of
de partijen van een muziekwerk en de in die werken opgenomen andere werken, blijft die
verveelvoudiging bovendien beperkt tot een klein gedeelte van het werk, behalve indien het betreft:

a. werken, waarvan naar redelijkerwijs mag worden aangenomen geen nieuwe exemplaren tegen betaling,
in welke vorm ook, aan derden ter beschikking zullen worden gesteld;
b. in een dag-, nieuws- of weekblad of tijdschrift verschenen korte artikelen, berichten of andere
stukken.

3. Waar het geldt een werk, als bedoeld bij artikel 10, eerste lid, onder 6°, moet de verveelvoudiging
door haar grootte of door de werkwijze, volgens welke zij vervaardigd is, een duidelijk verschil
vertonen met het oorspronkelijke werk.

4. Indien een ingevolge dit artikel toegelaten verveelvoudiging heeft plaatsgevonden, mogen de
vervaardigde exemplaren niet zonder toestemming van de maker of zijn rechtverkrijgenden aan
derden worden afgegeven, tenzij de afgifte geschiedt ten behoeve van een rechterlijke of
bestuurlijke procedure.

5. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat voor de verveelvoudiging, bedoeld
in het eerste lid, ten behoeve van de maker of diens rechtverkrijgenden een billijke vergoeding is
verschuldigd. Daarbij kunnen nadere regels worden gegeven en voorwaarden worden gesteld.

6. Dit artikel is niet van toepassing op het reproduceren, bedoeld in artikel 16c, noch op het nabouwen
van bouwwerken.

Artikel 16c

1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet
beschouwd het reproduceren van het werk of een gedeelte ervan, mits het reproduceren geschiedt
zonder direct of indirect commercieel oogmerk en uitsluitend dient tot eigen oefening, studie of
gebruik van de natuurlijke persoon die de reproductie vervaardigt.

2. Voor het reproduceren, bedoeld in het eerste lid, is de fabrikant of de importeur van een voorwerp
dat bestemd is om een werk ten gehore te brengen, te vertonen of weer te geven ten behoeve van de
maker of diens rechtverkrijgenden een billijke vergoeding verschuldigd.

3. Voor de fabrikant ontstaat de verplichting tot betaling van de vergoeding op het tijdstip dat de
door hem vervaardigde voorwerpen in het verkeer kunnen worden gebracht. Voor de importeur ontstaat
deze verplichting op het tijdstip van invoer.

4. De verplichting tot betaling van de vergoeding vervalt indien de ingevolge het derde lid
betalingsplichtige een voorwerp als bedoeld in het eerste lid uitvoert.

5. De vergoeding is slechts eenmaal per voorwerp verschuldigd.

6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gegeven met betrekking tot de
voorwerpen ten aanzien waarvan de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, verschuldigd is. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen voorts nadere regelen worden gegeven en voorwaarden worden
gesteld ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel met betrekking tot de hoogte, verschuldigdheid en
vorm van de billijke vergoeding.

7. Indien een ingevolge dit artikel toegelaten reproductie heeft plaatsgevonden, mogen voorwerpen
als bedoeld in het eerste lid niet zonder toestemming van de maker of zijn rechtverkrijgenden aan
derden worden afgegeven, tenzij de afgifte geschiedt ten behoeve van een rechterlijke of bestuurlijke
procedure.

8. Dit artikel is niet van toepassing op het verveelvoudigen van een met elektronische middelen
toegankelijke verzameling als bedoeld in artikel 10, derde lid.

Artikel 16d

1. De betaling van de in artikel 16c bedoelde vergoeding dient te geschieden aan een door Onze
Minister van Justitie aan te wijzen, naar zijn oordeel representatieve rechtspersoon, die belast is
met de inning en de verdeling van deze vergoeding overeenkomstig een reglement, dat is opgesteld
door deze rechtspersoon, en dat is goedgekeurd door het College van Toezicht, bedoeld in de Wet
toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten. In aangelegenheden betreffende
de inning en vergoeding vertegenwoordigt deze rechtspersoon de makers of hun rechtverkrijgenden
in en buiten rechte.

2. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, staat onder toezicht van het College van Toezicht,
bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven betreffende de
uitoefening van het toezicht op de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon.

Artikel 16e

1. De hoogte van de in artikel 16c bedoelde vergoeding wordt vastgesteld door een door Onze Minister
van Justitie aan te wijzen stichting waarvan het bestuur zodanig is samengesteld dat de belangen van
de makers of hun rechtverkrijgenden en de ingevolge artikel 16c, tweede lid, betalingsplichtigen op
evenwichtige wijze worden behartigd. De voorzitter van het bestuur van deze stichting wordt benoemd
door Onze Minister van Justitie.

Artikel 16f

Degene die tot betaling van de in artikel 16c bedoelde vergoeding verplicht is, is gehouden onverwijld
of binnen een met de in artikel 16d, eerste lid, bedoelde rechtspersoon overeengekomen tijdvak opgave
te doen aan deze rechtspersoon van het aantal van de door hem geïmporteerde of vervaardigde
voorwerpen, bedoeld in artikel 16c, eerste lid. Hij is voorts gehouden aan deze rechtspersoon op diens
aanvrage onverwijld die bescheiden ter inzage te geven, waarvan kennisneming noodzakelijk is voor de
vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de vergoeding.

Artikel 16g

Geschillen met betrekking tot de vergoeding, bedoeld in de artikelen 15i, tweede lid, 16b en 16c,
worden in eerste aanleg bij uitsluiting beslist door de rechtbank te 's-Gravenhage.

Artikel 16ga

1. De verkoper van de in artikel 16 c , tweede lid, bedoelde voorwerpen is gehouden aan de in artikel
16 d , eerste lid, bedoelde rechtspersoon op diens aanvraag onverwijld die bescheiden ter inzage te
geven waarvan de kennisneming noodzakelijk is om vast te stellen of de in artikel 16 c , tweede lid,
bedoelde vergoeding door de fabrikant of de importeur betaald is.

2. Indien de verkoper niet kan aantonen dat de vergoeding door de fabrikant of de importeur betaald
is, is hij verplicht tot betaling daarvan aan de in artikel 16 d , eerste lid, bedoelde rechtspersoon,
tenzij uit de in het eerste lid genoemde bescheiden blijkt wie de fabrikant of de importeur is.

Artikel 16h

1. Een reprografische verveelvoudiging van een artikel in een dag-, nieuws- of weekblad of een
tijdschrift of van een klein gedeelte van een boek en van de in zo'n werk opgenomen andere werken
wordt niet beschouwd als inbreuk op het auteursrecht, mits voor deze verveelvoudiging een vergoeding
wordt betaald.

2. Een reprografische verveelvoudiging van het gehele werk wordt niet beschouwd als inbreuk op het
auteursrecht, indien van een boek naar redelijkerwijs mag worden aangenomen geen nieuwe exemplaren
tegen betaling, in welke vorm dan ook, aan derden ter beschikking worden gesteld, mits voor deze
verveelvoudiging een vergoeding wordt betaald.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat ten aanzien van de verveelvoudiging
van werken als bedoeld bij artikel 10, eerste lid, onder 1°, van het in een of meer der voorgaande
leden bepaalde mag worden afgeweken ten behoeve van de uitoefening van de openbare dienst,
alsmede ten behoeve van de vervulling van taken waarmee in het algemeen belang werkzame
instellingen zijn belast. Daarbij kunnen nadere regels worden gegeven en nadere voorwaarden
worden gesteld.

Artikel 16i

De vergoeding, bedoeld in artikel 16h, wordt berekend over iedere pagina waarop een werk als
bedoeld in het eerste en tweede lid van dat artikel reprografisch verveelvoudigd is.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt de hoogte van de vergoeding vastgesteld en kunnen
nadere regels en voorwaarden worden gesteld.

Artikel 16j

Een met inachtneming van artikel 16h vervaardigde reprografische verveelvoudiging mag, zonder
toestemming van de maker of zijn rechtverkrijgende, alleen worden afgegeven aan personen die
in dezelfde onderneming, organisatie of instelling werkzaam zijn, tenzij de afgifte geschiedt ten
behoeve van een rechterlijke of administratieve procedure.

Artikel 16k

De verplichting tot betaling van de vergoeding, bedoeld in artikel 16h, vervalt door verloop van drie
jaar na het tijdstip waarop de verveelvoudiging vervaardigd is.

De vergoeding is niet verschuldigd indien de betalingsplichtige kan aantonen dat de maker of diens
rechtverkrijgende afstand heeft gedaan van het recht op de vergoeding.

Artikel 16l

1. De betaling van de vergoeding, bedoeld in artikel 16h, dient te geschieden aan een door Onze
Minister van Justitie aan te wijzen, naar zijn oordeel representatieve rechtspersoon, die met
uitsluiting van anderen belast is met de inning en de verdeling van deze vergoeding.

2. In aangelegenheden betreffende de inning van de vergoeding vertegenwoordigt de rechtspersoon,
bedoeld in het eerste lid, de makers of hun rechtverkrijgenden in en buiten rechte.

3. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, hanteert voor de verdeling van de geïnde vergoedingen
een reglement. Het reglement behoeft de goedkeuring van het College van Toezicht, bedoeld in de Wet
toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten.

4. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, staat onder toezicht van het College van Toezicht,
bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten.

5. Het eerste en tweede lid vinden geen toepassing voorzover degene die tot betaling van de vergoeding
verplicht is, kan aantonen dat hij met de maker of zijn rechtverkrijgende overeengekomen is dat hij de
vergoeding rechtstreeks aan deze zal betalen.

Artikel 16m

Degene die de vergoeding, bedoeld in artikel 16h, dient te betalen aan de rechtspersoon, bedoeld in
artikel 16l, eerste lid, is gehouden aan deze opgave te doen van het totale aantal reprografische
verveelvoudigingen dat hij per jaar maakt.

De opgave, bedoeld in het eerste lid, behoeft niet gedaan te worden, indien per jaar minder dan een
bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal reprografische verveelvoudigingen gemaakt wordt.

Artikel 16n

1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet
beschouwd de verveelvoudiging door voor het publiek toegankelijke bibliotheken en musea of archieven
die niet het behalen van een direct of indirect economisch of commercieel voordeel nastreven, indien die
verveelvoudiging geschiedt met als enig doel:

1°. het exemplaar van het werk te restaureren;
2°. bij dreiging van verval van het exemplaar van het werk een verveelvoudiging daarvan te behouden
voor de instelling;
3°. het werk raadpleegbaar te houden als de technologie waarmee het toegankelijk gemaakt kan worden
in onbruik raakt.

2. De in het eerste lid bedoelde verveelvoudigingen zijn slechts geoorloofd indien:

1°. het de exemplaren van het werk deel uitmaken van de verzameling van de voor het publiek
toegankelijke bibliotheken en musea of archieven die een beroep op deze beperking doen; en
2°. artikel 25 in acht wordt genomen.

Artikel 17

[Vervallen.]

Artikel 17a

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld nopens de uitoefening van het recht
van de maker van een werk of zijn rechtverkrijgenden met betrekking tot de openbaarmaking van een
werk door uitzending van een radio- of televisieprogramma via radio of televisie, of een ander medium
dat eenzelfde functie vervult. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de eerste volzin, kan
bepalen, dat zodanig werk in Nederland mag worden openbaar gemaakt zonder voorafgaande
toestemming van de maker of zijn rechtverkrijgenden, indien de uitzending plaats vindt vanuit
Nederland dan wel vanuit een staat die geen partij is bij de op 2 mei 1992 te Oporto tot stand
gekomen Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (Trb. 1992, 132). Zij die
bevoegd zijn een werk zonder voorafgaande toestemming openbaar te maken, zijn desalniettemin
verplicht de rechten van de maker, bedoeld in artikel 25, te eerbiedigen en aan de maker of zijn
rechtverkrijgenden een billijke vergoeding te betalen, welke bij gebreke van overeenstemming op
vordering van de meest gerede partij door de rechter zal worden vastgesteld, die tevens het stellen
van zekerheid kan bevelen. Het hiervoor bepaalde is niet van toepassing op het uitzenden van een in
een radio- of televisieprogramma opgenomen werk door middel van een satelliet.

Artikel 17b

1. Tenzij anders is overeengekomen, sluit de bevoegdheid tot openbaarmaking door uitzending van
een radio- of televisieprogramma via radio of televisie, of een ander medium dat eenzelfde functie
vervult niet in de bevoegdheid het werk vast te leggen.

2. De omroeporganisatie die bevoegd is tot de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, is echter
gerechtigd met haar eigen middelen en uitsluitend voor uitzending van haar eigen radio- of
televisieprogramma's het ter uitzending bestemde werk tijdelijk vast te leggen. De omroeporganisatie,
die dientengevolge gerechtigd is tot vastlegging, is desalniettemin verplicht de rechten van de maker
van het werk, bedoeld in artikel 25, te eerbiedigen.

3. Vastleggingen die met inachtneming van het tweede lid zijn vervaardigd en een uitzonderlijke
documentaire waarde bezitten, mogen in officiële archieven worden bewaard.

Artikel 17c

Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde of kunst wordt niet beschouwd de
gemeentezang en de instrumentale begeleiding daarvan tijdens een eredienst.

Artikel 17d

Een krachtens artikel 16b, vijfde lid, artikel 16c, zevende lid, artikel 16h, derde lid, artikel 16m,
tweede lid, artikel 17a of artikel 29a, vierde lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur of
een wijziging daarvan treedt niet eerder in werking dan acht weken na datum van uitgifte van het
Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide
Kamers der Staten-Generaal.

Artikel 18

Als inbreuk op het auteursrecht op een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 6°, of op
een werk, betrekkelijk tot de bouwkunde als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 8°, dat is gemaakt
om permanent in openbare plaatsen te worden geplaatst, wordt niet beschouwd de verveelvoudiging of
openbaarmaking van afbeeldingen van het werk zoals het zich aldaar bevindt. Waar het betreft het
overnemen in een compilatiewerk, mag van dezelfde maker niet meer worden overgenomen dan enkele
van zijn werken.

Artikel 18a

Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet
beschouwd de incidentele verwerking ervan als onderdeel van ondergeschikte betekenis in een
ander werk.

Artikel 18b

Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt niet
beschouwd de openbaarmaking of verveelvoudiging ervan in het kader van een karikatuur,
parodie of pastiche mits het gebruik in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het
maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is.

Artikel 19

1. Als inbreuk op het auteursrecht op een portret wordt niet beschouwd de verveelvoudiging
daarvan door, of ten behoeve van, den geportretteerde of, na diens overlijden, zijne nabestaanden.

2. Bevat eene zelfde afbeelding het portret van twee of meer personen, dan staat die verveelvoudiging
aan ieder hunner ten aanzien van andere portretten dan zijn eigen slechts vrij met toestemming van die
andere personen of, gedurende tien jaren na hun overlijden, van hunne nabestaanden.

3. Ten aanzien van een fotografisch portret wordt mede niet als inbreuk op het auteursrecht
beschouwd het openbaar maken daarvan in een nieuwsblad of tijdschrift door of met toestemming
van een der personen, in het eerste lid genoemd, mits daarbij de naam des makers, voor zoover deze
op of bij het portret is aangeduid, vermeld wordt.

4. Dit artikel is slechts van toepassing ten aanzien van portretten, welke vervaardigd zijn ingevolge
eene opdracht, door of vanwege de geportretteerde personen, of te hunnen behoeve aan den maker gegeven.

Artikel 20

1. Tenzij anders is overeengekomen is degene, wien het auteursrecht op een portret toekomt, niet
bevoegd dit openbaar te maken zonder toestemming van den geportretteerde of, gedurende tien jaren
na diens overlijden, van diens nabestaanden.

2. Bevat eene zelfde afbeelding het portret van twee of meer personen, dan is ten aanzien van de
gansche afbeelding de toestemming vereischt van alle geportretteerden of, gedurende tien jaren na
hun overlijden, van hunne nabestaanden.

3. Het laatste lid van het voorgaande artikel is van toepassing.

Artikel 21

Is een portret vervaardigd zonder daartoe strekkende opdracht, den maker door of vanwege den
geportretteerde, of te diens behoeve, gegeven, dan is openbaarmaking daarvan door dengene, wien
het auteursrecht daarop toekomt, niet geoorloofd, voor zoover een redelijk belang van den
geportretteerde of, na zijn overlijden, van een zijner nabestaanden zich tegen de openbaarmaking verzet.

Artikel 22

1. In het belang van de openbare veiligheid alsmede ter opsporing van strafbare feiten mogen
afbeeldingen van welke aard ook door of vanwege de justitie worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt.

2. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk van letterkunde of wetenschap wordt niet beschouwd het
overnemen ervan ten behoeve van de openbare veiligheid of om het goede verloop van een bestuurlijke,
parlementaire of gerechtelijke procedure of de berichtgeving daarover te waarborgen.

Artikel 23

Tenzij anders overeengekomen, is de eigenaar, bezitter of houder van een teken-, schilder-, bouw- of
beeldhouwwerk of een werk van toegepaste kunst bevoegd dat werk te verveelvoudigen of openbaar te
maken voor zover dat noodzakelijk is voor openbare tentoonstelling of openbare verkopen van dat werk,
een en ander met uitsluiting van enig ander commercieel gebruik.

Artikel 24

Tenzij anders is overeengekomen blijft de maker van eenig schilderwerk, niettegenstaande de
overdracht van zijn auteursrecht, bevoegd gelijke schilderwerken te vervaardigen.

Artikel 24a

1. Als inbreuk op het auteursrecht op een verzameling als bedoeld in artikel 10, derde lid, wordt niet
beschouwd de verveelvoudiging, vervaardigd door de rechtmatige gebruiker van de verzameling, die
noodzakelijk is om toegang te verkrijgen tot en normaal gebruik te maken van de verzameling.

2. Indien de rechtmatige gebruiker slechts gerechtigd is tot het gebruik van een deel van de
verzameling geldt het eerste lid slechts voor de toegang tot en het normaal gebruik van dat deel.

3. Bij overeenkomst kan niet ten nadele van de rechtmatige gebruiker worden afgeweken van het eerste
en tweede lid.

Artikel 25

1. De maker van een werk heeft, zelfs nadat hij zijn auteursrecht heeft overgedragen, de volgende
rechten:

a. het recht zich te verzetten tegen openbaarmaking van het werk zonder vermelding van zijn naam
of andere aanduiding als maker, tenzij het verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid;

b. het recht zich te verzetten tegen de openbaarmaking van het werk onder een andere naam dan de
zijne, alsmede tegen het aanbrengen van enige wijziging in de benaming van het werk of in de
aanduiding van de maker, voor zover deze op of in het werk voorkomen, dan wel in verband daarmede
zijn openbaar gemaakt;

c. het recht zich te verzetten tegen elke andere wijziging in het werk, tenzij deze wijziging van
zodanige aard is, dat het verzet zou zijn in strijd met de redelijkheid;

d. het recht zich te verzetten tegen elke misvorming, verminking of andere aantasting van het werk,
welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze
hoedanigheid.

2. De in het eerste lid genoemde rechten komen, na het overlijden van de maker tot aan het vervallen
van het auteursrecht, toe aan de door de maker bij uiterste wilsbeschikking aangewezene.

3. Van het recht, in het eerste lid, onder a genoemd kan afstand worden gedaan. Van de rechten onder
b en c genoemd kan afstand worden gedaan voor zover het wijzigingen in het werk of in de benaming
daarvan betreft.

4. Heeft de maker van het werk het auteursrecht overgedragen dan blijft hij bevoegd in het werk
zodanige wijzigingen aan te brengen als hem naar de regels van het maatschappelijk verkeer te goeder
trouw vrijstaan. Zolang het auteursrecht voortduurt komt gelijke bevoegdheid toe aan de door de maker
bij uiterste wilsbeschikking aangewezene, als redelijkerwijs aannemelijk is, dat ook de maker die
wijzigingen zou hebben goedgekeurd.

Artikel 25a

In deze paragraaf worden onder nabestaanden verstaan de ouders, de echtgenoot of de geregistreerde
partner en de kinderen. De aan de nabestaanden toekomende bevoegdheden kunnen zelfstandig door
ieder van hen worden uitgeoefend. Bij verschil van mening kan de rechter een voor hen bindende
beslissing geven.

Hoofdstuk II. De uitoefening en de handhaving van het auteursrecht en bepalingen van strafrecht

Artikel 26

Indien aan twee of meer personen een gemeenschappelijk auteursrecht op een zelfde werk toekomt,
kan, tenzij anders is overeengekomen, de handhaving van dit recht door ieder hunner geschieden.

Artikel 26a

1. Het recht om toestemming te verlenen voor de gelijktijdige, ongewijzigde en onverkorte uitzending
van een in een radio- of televisieprogramma opgenomen werk door een omroepnetwerk als bedoeld in
artikel 1, onderdeel q, van de Mediawet kan uitsluitend worden uitgeoefend door rechtspersonen die
zich ingevolge hun statuten ten doel stellen de belangen van rechthebbenden door de uitoefening van
het aan hen toekomende hiervoor bedoelde recht te behartigen.

2. De in het eerste lid bedoelde rechtspersonen zijn ook bevoegd de belangen te behartigen van
rechthebbenden die daartoe geen opdracht hebben gegeven, indien het betreft de uitoefening van
dezelfde rechten als in de statuten vermeld. Indien meerdere rechtspersonen zich blijkens hun statuten
de behartiging van de belangen van dezelfde categorie rechthebbenden ten doel stellen, kan de
rechthebbende een van hen aanwijzen als bevoegd tot de behartiging van zijn belangen. Voor
rechthebbenden die geen opdracht hebben gegeven als bedoeld in de tweede zin gelden de rechten
en verplichtingen die voortvloeien uit een overeenkomst die een tot de uitoefening van dezelfde
rechten bevoegde rechtspersoon heeft gesloten met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde
uitzending, onverkort.

3. Vorderingen jegens de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon terzake van de door deze geïnde
gelden vervallen door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de
in het eerste lid bedoelde uitzending heeft plaatsgevonden.

4. Dit artikel is niet van toepassing op rechten als bedoeld in het eerste lid die toekomen aan een
omroeporganisatie met betrekking tot haar eigen uitzendingen.

Artikel 26b

Partijen zijn verplicht de onderhandelingen over de toestemming voor de gelijktijdige, ongewijzigde
en onverkorte uitzending, bedoeld in artikel 26a, eerste lid, te goeder trouw te voeren en niet zonder
geldige reden te verhinderen of te belemmeren.

Artikel 26c

1. Indien over de gelijktijdige, ongewijzigde en onverkorte uitzending, bedoeld in artikel 26a, eerste
lid, geen overeenstemming kan worden bereikt, kan iedere partij een beroep doen op een of meer
bemiddelaars. De bemiddelaars worden zodanig geselecteerd dat over hun onafhankelijkheid en
onpartijdigheid in redelijkheid geen twijfel kan bestaan.

2. De bemiddelaars verlenen bijstand bij het voeren van de onderhandelingen en zijn bevoegd aan de
partijen voorstellen te betekenen. Tot drie maanden na de dag van ontvangst van de voorstellen van de
bemiddelaars kan een partij zijn bezwaren tegen deze voorstellen betekenen aan de andere partij. De
voorstellen van de bemiddelaars binden de partijen, tenzij binnen de in de vorige zin bedoelde termijn
door een van hen bezwaren zijn betekend. De voorstellen en de bezwaren worden aan de partijen
betekend overeenkomstig het bepaalde in de eerste titel, zesde afdeling, van het eerste boek van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 27

1. Niettegenstaande de gehele of gedeeltelijke overdracht van zijn auteursrecht blijft de maker
bevoegd een rechtsvordering ter verkrijging van schadevergoeding in te stellen tegen degene, die
inbreuk op het auteursrecht heeft gemaakt.

2. De in het eerste lid bedoelde rechtsvordering ter verkrijging van schadevergoeding wegens inbreuk
op het auteursrecht komt na het overlijden van de maker toe aan zijn erfgenamen of legatarissen tot
aan het vervallen van het auteursrecht.

Artikel 27a

1. Naast schadevergoeding kan de maker of zijn rechtverkrijgende vorderen dat degene die inbreuk
op het auteursrecht heeft gemaakt, wordt veroordeeld de door deze ten gevolge van de inbreuk genoten
winst af te dragen en dienaangaande rekening en verantwoording af te leggen.

2. De maker of diens rechtverkrijgende kan de in het eerste lid bedoelde vorderingen of een van deze
ook of mede namens een licentienemer instellen, onverminderd de bevoegdheid van deze laatste in een
al of niet namens hem of mede namens hem door de maker of diens rechtverkrijgende ingesteld geding
tussen te komen om rechtstreeks de door hem geleden schade vergoed te krijgen of om zich een evenredig
deel van de door de gedaagde af te dragen winst te doen toewijzen. De in het eerste lid bedoelde
vorderingen of een van deze kan een licentienemer slechts instellen als hij de bevoegdheid daartoe van
de maker of diens rechtverkrijgende heeft bedongen.

Artikel 28

1. Het auteursrecht geeft aan de gerechtigde de bevoegdheid om roerende zaken, die geen registergoederen
zijn en die in strijd met dat recht zijn openbaar gemaakt of een niet geoorloofde verveelvoudiging vormen,
als zijn eigendom op te eisen dan wel vernietiging of onbruikbaarmaking daarvan te vorderen. Teneinde tot
vernietiging of onbruikbaarmaking over te gaan kan de gerechtigde de afgifte van deze zaken vorderen.

2. Gelijke bevoegdheid tot opeising bestaat:

a. ten aanzien van het bedrag van de toegangsgelden betaald voor het bijwonen van een voordracht, een
op- of uitvoering of een tentoonstelling of voorstelling, waardoor inbreuk op het auteursrecht wordt
gemaakt;

b. ten aanzien van andere gelden waarvan aannemelijk is dat zij zijn verkregen door of als gevolg van
inbreuk op het auteursrecht.

3. Gelijke bevoegdheid tot het vorderen van vernietiging of onbruikbaarmaking bestaat ten aanzien van
roerende zaken die geen registergoederen zijn en waarmee de inbreuk op het auteursrecht is gepleegd.
Teneinde tot vernietiging of onbruikbaarmaking over te gaan kan de gerechtigde de afgifte van deze
zaken vorderen.

4. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betreffende beslag en executie tot
afgifte van roerende zaken die geen registergoederen zijn, zijn van toepassing. Bij samenloop met een
ander beslag gaat degene die beslag heeft gelegd krachtens dit artikel voor.

5. De rechter kan gelasten dat de afgifte niet plaats vindt dan tegen een door hem vast te stellen, door
de eiser te betalen vergoeding.

6. Ten aanzien van onroerende zaken, schepen of luchtvaartuigen, waardoor inbreuk op een auteursrecht
wordt gemaakt, kan de rechter op vordering van de gerechtigde gelasten dat de gedaagde daarin
zodanige wijziging zal aanbrengen dat de inbreuk wordt opgeheven.

7. Tenzij anders is overeengekomen, heeft de licentienemer het recht de uit de leden 1-6 voortvloeiende
bevoegdheden uit te oefenen, voor zover deze strekken tot bescherming van de rechten waarvan de
uitoefening hem is toegestaan.

8. Gelijke bevoegdheid tot opeising, dan wel tot vernietiging of onbruikbaarmaking, alsmede tot
afgifte teneinde tot vernietiging of onbruikbaarmaking over te gaan, bestaat ten aanzien van de
inrichtingen, producten en onderdelen als bedoeld in artikel 29a alsmede de reproducties van
werken als bedoeld in artikel 29b, die geen registergoederen zijn.

Artikel 29

1. De in artikel 28, eerste lid, bedoelde bevoegdheid kan niet worden uitgeoefend ten aanzien van
zaken die onder personen berusten, die niet in soortgelijke zaken handeldrijven en deze uitsluitend
voor eigen gebruik hebben verkregen, tenzij zij zelf inbreuk op het betreffende auteursrecht
hebben gemaakt.

2. De vordering, bedoeld in artikel 28, zesde lid, kan slechts worden ingesteld tegen de eigenaar
of houder van de zaak, die schuld heeft aan de inbreuk op het betreffende auteursrecht.

Artikel 29a

1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder 'technische voorzieningen' verstaan technologie,
inrichtingen of onderdelen die in het kader van hun normale werking dienen voor het voorkomen of
beperken van handelingen ten aanzien van werken, die door de maker of zijn rechtverkrijgenden
niet zijn toegestaan. Technische voorzieningen worden geacht 'doeltreffend' te zijn indien het
gebruik van een beschermd werk door de maker of zijn rechtverkrijgenden wordt beheerst door
middel van toegangscontrole of door toepassing van een beschermingsprocédé zoals encryptie,
vervorming of andere transformatie van het werk of een kopieerbeveiliging die de beoogde
bescherming bereikt.

2. Degene, die doeltreffende technische voorzieningen omzeilt en dat weet of redelijkerwijs
behoort te weten, handelt onrechtmatig.

3. Degene die diensten verricht of inrichtingen, producten of onderdelen vervaardigt, invoert,
distribueert, verkoopt, verhuurt, adverteert of voor commerciële doeleinden bezit die:

a) aangeboden, aangeprezen of in de handel gebracht worden met het doel om de beschermende
werking van doeltreffende technische voorzieningen te omzeilen, of;

b) het citeren in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer
redelijkerwijs geoorloofd is en aantal en omvang der geciteerde gedeelten door het te bereiken
doel zijn gerechtvaardigd; of

c) vooral ontworpen, vervaardigd of aangepast worden met het doel het omzeilen van de doeltreffende
technische voorzieningen mogelijk of gemakkelijker te maken,

handelt onrechtmatig.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden vastgesteld die de maker of zijn
rechtverkrijgenden er toe verplichten aan de gebruiker van een werk van letterkunde, wetenschap
of kunst voor doeleinden als omschreven in de artikelen 15i, 16, 16b, 16c, 16h, 16n, 17b en 22 van
deze wet de nodige middelen te verschaffen om van deze beperkingen te profiteren, mits de gebruiker
rechtmatig toegang tot het door de technische voorziening beschermde werk heeft. Het bepaalde in de
voorgaande zin geldt niet ten aanzien van werken die onder contractuele voorwaarden aan gebruikers
beschikbaar worden gesteld op een door hen individueel gekozen plaats en tijd.

Artikel 29b

1. Degene die opzettelijk en zonder daartoe gerechtigd te zijn elektronische informatie betreffende het
beheer van rechten verwijdert of wijzigt, of werken van letterkunde, wetenschap of kunst waaruit op
ongeoorloofde wijze dergelijke informatie is verwijderd of waarin op ongeoorloofde wijze dergelijke
informatie is gewijzigd, verspreidt, ter verspreiding invoert, uitzendt of anderszins openbaar maakt,
en weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij zodoende aanzet tot inbreuk op het auteursrecht,
dan wel een dergelijke inbreuk mogelijk maakt, vergemakkelijkt of verbergt, handelt onrechtmatig.

2. Onder 'informatie betreffende het beheer van rechten' wordt in dit artikel verstaan alle door de
maker of zijn rechtverkrijgenden verstrekte informatie welke verbonden is met een verveelvoudiging
van een werk of bij de openbaarmaking van een werk bekend wordt gemaakt, die dient ter identificatie
van het werk, dan wel van de maker of zijn rechtverkrijgenden, of informatie betreffende de
voorwaarden voor het gebruik van het werk, alsmede de cijfers of codes waarin die informatie is vervat.

Artikel 30

Indien iemand zonder daartoe gerechtigd te zijn een portret openbaar maakt gelden ten aanzien van
het recht van den geportretteerde dezelfde bepalingen als in de artikelen 28 en 29 met betrekking tot
het auteursrecht zijn gesteld.

Artikel 30a

1. Voor het als bedrijf verleenen van bemiddeling in zake muziekauteursrecht, al of niet met het
oogmerk om winst te maken, is de toestemming vereischt van Onzen Minister van Justitie.

2. Onder het verleenen van bemiddeling inzake muziekauteursrecht wordt verstaan het, al of niet op
eigen naam, ten behoeve van de makers van muziekwerken of hunne rechtverkrijgenden, sluiten of ten
uitvoer leggen van overeenkomsten betreffende de uitvoering in het openbaar of de uitzending in een
radio- of televisieprogramma, door tekens, geluid of beelden, van die werken, of hunne
verveelvoudigingen, in hun geheel of gedeeltelijk.

3. Met de uitvoering of de uitzending in een radio- of televisieprogramma van muziekwerken wordt
gelijkgesteld de uitvoering of de uitzending in een radio- of televisieprogramma van dramatisch-muzikale
werken, choregrafische werken en pantomimes en hunne verveelvoudigingen, indien deze ten gehoore
worden gebracht zonder te worden vertoond.

4. Overeenkomsten als bedoeld bij het tweede lid, welke worden aangegaan zonder dat de ingevolge
het eerste lid vereischte ministerieele toestemming is verkregen, zijn nietig.

5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven omtrent de toestemming
bedoeld in het eerste lid.

6. Het toezicht op degene die de ministeriële toestemming heeft verkregen wordt uitgeoefend door het
College van Toezicht, bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en
naburige rechten.

Artikel 30b

1. Op verzoek van een of meer naar het oordeel van Onze Minister van Justitie en van Onze Minister
van Economische Zaken representatieve organisaties van bedrijfs- of beroepsgenoten die rechtspersonen
met volledige rechtsbevoegdheid zijn en die ten doel hebben de behartiging van belangen van personen
die beroeps- of bedrijfsmatig werken van letterkunde, wetenschap of kunst invoeren in Nederland,
openbaar maken of verveelvoudigen, kunnen voornoemde ministers gezamenlijk bepalen dat door hen
aangewezen beroeps- of bedrijfsgenoten verplicht zijn hun administratie te voeren op een nader door
hen aan te geven wijze.

2. Hij die de in het vorige lid bedoelde verplichting niet nakomt, wordt gestraft met een geldboete van
de tweede categorie. Het feit is een overtreding.

Artikel 31

Hij, die opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 31a

Hij die opzettelijk een voorwerp waarin met inbreuk op eens anders auteursrecht een werk is vervat,

a. openlijk ter verspreiding aanbiedt,
b. ter verveelvoudiging of ter verspreiding voorhanden heeft,
c. invoert, doorvoert, uitvoert of
d. bewaart uit winstbejag

wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 31b

Hij die van het plegen van de misdrijven, als bedoeld in de artikelen 31 en 31a , zijn beroep maakt of
het plegen van deze misdrijven als bedrijf uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste vier jaar of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 32

Hij die een voorwerp waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat daarin met inbreuk op eens anders
auteursrecht een werk is vervat,

a. openlijk ter verspreiding aanbiedt;
b. ter verveelvoudiging of ter verspreiding voorhanden heeft;
c. invoert, doorvoert, uitvoert of
d. bewaart uit winstbejag

wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.

Artikel 32a

Hij die opzettelijk middelen die uitsluitend bestemd zijn om het zonder toestemming van de maker of
zijn rechtverkrijgende verwijderen van of het ontwijken van een technische voorziening ter bescherming
van een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 12°, te vergemakkelijken

a. openlijk ter verspreiding aanbiedt,
b. ter verspreiding voorhanden heeft,
c. invoert, doorvoert, uitvoert of
d. bewaart uit winstbejag

wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

Artikel 33

De feiten strafbaar gesteld in de artikelen 31, 31a, 31b, 32 en 32a zijn misdrijven.

Artikel 34

1. Hij die opzettelijk in enig werk van letterkunde, wetenschap of kunst, waarop auteursrecht bestaat,
in de benaming daarvan of in de aanduiding van de maker wederrechtelijk enige wijziging aanbrengt of
wel met betrekking tot een zodanig werk op enige andere wijze, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan
de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid, het werk aantast, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

2. Het feit is een misdrijf.

Artikel 35

1. Hij die zonder daartoe gerechtigd te zijn een portret in het openbaar ten toon stelt of op andere
wijze openbaar maakt, wordt gestraft met geldboete van de vierde categorie.

2. Het feit is eene overtreding.

Artikel 35a

1. Hij die, zonder dat de vereischte toestemming van Onzen Minister van Justitie is verkregen,
handelingen verricht, die behooren tot een bedrijf als bedoeld bij artikel 30a , wordt gestraft met
geldboete van de vierde categorie.

2. Het feit wordt beschouwd als eene overtreding.

Artikel 35b

1. Hij die in een schriftelijke aanvrage of opgave, dienende om in het bedrijf van degene, die met
toestemming van Onze Minister van Justitie bemiddeling verleent inzake muziekauteursrecht, te worden
gebezigd bij de vaststelling van het wegens auteursrecht verschuldigde, opzettelijk een onjuiste of
onvolledige mededeling doet, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of of geldboete
van de derde categorie.

2. Het feit is een overtreding.

Artikel 35c

Degene die een schriftelijke opgave aan de in artikel 16d, eerste lid, bedoelde rechtspersoon, dienende
voor de vaststelling van het op grond van artikel 16c verschuldigde, opzettelijk nalaat dan wel in een
dergelijke opgave opzettelijk een onjuiste of onvolledige mededeling doet, wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie. Het feit wordt beschouwd als een
overtreding.

Artikel 35d

Degene die een opgave als bedoeld in artikel 15g opzettelijk nalaat dan wel in een dergelijke opgave
opzettelijk een onjuiste mededeling doet, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden
of geldboete van de derde categorie. Het feit wordt beschouwd als een overtreding.

Artikel 36

1. De door den strafrechter verbeurd verklaarde verveelvoudigingen worden vernietigd; echter kan de
rechter bij het vonnis bepalen, dat zij aan dengene, wien het auteursrecht toekomt, zullen worden
afgegeven, indien deze zich daartoe ter griffie aanmeldt binnen eene maand nadat de uitspraak in kracht
van gewijsde is gegaan.

2. Door de afgifte gaat de eigendom van de verveelvoudigingen op den rechthebbende over. De rechter
zal kunnen gelasten, dat die afgifte niet zal geschieden dan tegen eene bepaalde, door den rechthebbende
te betalen vergoeding, welke ten bate komt van den Staat.

Artikel 36a

De opsporingsambtenaren kunnen te allen tijde tot het opsporen van bij deze wet strafbaar gestelde
feiten inzage vorderen van alle bescheiden of andere gegevensdragers waarvan inzage voor de vervulling
van hun taak redelijkerwijze nodig is, bij hen die in de uitoefening van hun beroep of bedrijf werken van
letterkunde, wetenschap of kunst invoeren, doorvoeren, uitvoeren, openbaar maken of verveelvoudigen.

Artikel 36b

1. De opsporingsambtenaren zijn bevoegd, tot het opsporen van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten
en ter inbeslagneming van hetgeen daarvoor vatbaar is, elke plaats te betreden.

2. Indien hun de toegang wordt geweigerd, verschaffen zij zich die desnoods met inroeping van de
sterke arm.

3. In woningen treden zij tegen de wil van de bewoner niet binnen dan op vertoon van een schriftelijke
bijzondere last van of in tegenwoordigheid van een officier van justitie of een hulpofficier van
justitie. Van dit binnentreden wordt door hen binnen vierentwintig uren procesverbaal opgemaakt.

Artikel 36c

[Vervallen.]

------------------------

Hoofdstuk III. De duur van het auteursrecht

Artikel 37

1. Het auteursrecht vervalt door verloop van 70 jaren, te rekenen van de 1e januari van het jaar,
volgende op het sterfjaar van de maker.

2. De duur van een gemeenschappelijk auteursrecht op een zelfde werk, aan twee of meer personen
als gezamenlijke makers daarvan toekomende, wordt berekend van de 1e januari van het jaar, volgende
op het sterfjaar van de langstlevende hunner.

Artikel 38

1. Het auteursrecht op een werk, ten aanzien waarvan de maker niet is aangeduid of niet op zodanige
wijze dat zijn identiteit buiten twijfel staat, vervalt door verloop van 70 jaren, te rekenen van de 1e
januari van het jaar, volgende op dat, waarin de eerste openbaarmaking van het werk rechtmatig
heeft plaatsgehad.

2. Hetzelfde geldt ten aanzien van werken, waarvan een openbare instelling, een vereniging, stichting
of vennootschap als maker wordt aangemerkt, tenzij de natuurlijke persoon, die het werk heeft gemaakt,
als zodanig is aangeduid op of in exemplaren van het werk, die zijn openbaar gemaakt.

3. Indien de maker vóór het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn zijn identiteit
openbaart, zal de duur van het auteursrecht op dat werk worden berekend naar de bepalingen van
artikel 37.

Artikel 39

Voor werken, waarvan de duur van het auteursrecht niet wordt berekend naar de bepalingen van
artikel 37 en die niet binnen 70 jaren na hun totstandkoming op rechtmatige wijze zijn openbaar
gemaakt, vervalt het auteursrecht.

Artikel 40

Het auteursrecht op een filmwerk vervalt door verloop van 70 jaren, te rekenen van de 1e januari van
het jaar, volgende op het sterfjaar van de langstlevende van de volgende personen: de hoofdregisseur,
de scenarioschrijver, de schrijver van de dialogen en degene die ten behoeve van het filmwerk de
muziek heeft gemaakt.

Artikel 41

Ten aanzien van werken, in verschillende banden, delen, nummers of afleveringen verschenen, wordt
voor de toepassing van artikel 38 iedere band, deel, nummer of aflevering als een afzonderlijk werk
aangemerkt.

Artikel 42

In afwijking voor zooverre van de bepalingen van dit hoofdstuk kan in Nederland geenerlei beroep
worden gedaan op auteursrecht, waarvan de duur in het land van oorsprong van het werk reeds verstreken
is. Het in de eerste zin bepaalde geldt niet voor werken waarvan de maker onderdaan is van een lid-staat
van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte van 2 mei 1992.

------------------------

Hoofdstuk IV. Wijziging van de Faillissementswet en van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 43

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 44

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 45

[Vervallen.]

------------------------

Hoofdstuk V. Bijzondere bepalingen betreffende filmwerken

Artikel 45a

1. Onder filmwerk wordt verstaan een werk dat bestaat uit een reeks beelden met of zonder geluid,
ongeacht de wijze van vastlegging van het werk, indien het is vastgelegd.

2. Onverminderd het in de artikelen 7 en 8 bepaalde worden als de makers van een filmwerk aangemerkt
de natuurlijke personen die tot het ontstaan van het filmwerk een daartoe bestemde bijdrage van
scheppend karakter hebben geleverd.

3. Producent van het filmwerk is de natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de
totstandbrenging van het filmwerk met het oog op de exploitatie daarvan.

Artikel 45b

Indien een van de makers zijn bijdrage tot het filmwerk niet geheel tot stand wil of kan brengen, kan
hij zich, tenzij schriftelijk anders overeengekomen is, niet verzetten tegen het gebruik door de
producent van die bijdrage, voor zover deze reeds tot stand is gebracht, ten behoeve van de voltooiing
van het filmwerk. Voor de door hem tot stand gebrachte bijdrage geldt hij als maker in de zin van
artikel 45a .

Artikel 45c

Het filmwerk geldt als voltooid op het tijdstip waarop het vertoningsgereed is. Tenzij schriftelijk
anders overeengekomen is, beslist de producent wanneer het filmwerk vertoningsgereed is.

Artikel 45d

Tenzij de makers en de producent schriftelijk anders overeengekomen zijn, worden de makers geacht
aan de producent het recht overgedragen te hebben om vanaf het in artikel 45c bedoelde tijdstip het
filmwerk openbaar te maken, dit te verveelvoudigen in de zin van artikel 14, er ondertitels bij aan te
brengen en de teksten ervan na te synchroniseren. Het vorenstaande geldt niet ten aanzien van degene
die ten behoeve van het filmwerk de muziek gemaakt heeft en degene die de bij de muziek behorende
tekst gemaakt heeft. De producent is aan de makers of hun rechtverkrijgenden een billijke vergoeding
verschuldigd voor iedere vorm van exploitatie van het filmwerk. De producent is eveneens aan de makers
of hun rechtverkrijgenden een billijke vergoeding verschuldigd indien hij overgaat tot exploitatie in een
vorm die ten tijde van het in artikel 45c bedoelde tijdstip nog niet bestond of niet rederlijkerwijs
voorzienbaar was of indien hij aan een derde het recht verleent tot zo'n exploitatie over te gaan. De
in dit artikel bedoelde vergoedingen worden schriftelijk overeengekomen. Van het recht op een billijke
vergoeding voor verhuur kan door de maker geen afstand worden gedaan.

Artikel 45e

Iedere maker heeft met betrekking tot het filmwerk naast de rechten, bedoeld in artikel 25, eerste lid,
onder b, c en d , het recht

a. zijn naam op de daarvoor gebruikelijke plaats in het filmwerk te doen vermelden met vermelding van
zijn hoedanigheid of zijn bijdrage aan het filmwerk;
b. te vorderen dat het onder a bedoelde gedeelte van het filmwerk mede wordt vertoond;
c. zich te verzetten tegen vermelding van zijn naam op het filmwerk, tenzij dit verzet in strijd met de
redelijkheid zou zijn.

Artikel 45f

De maker wordt, tenzij schriftelijk anders overeengekomen is, verondersteld tegenover de producent
afstand gedaan te hebben van het recht zich te verzetten tegen wijzigingen als bedoeld in artikel 25,
eerste lid onder c , in zijn bijdrage.

Artikel 45g

Iedere maker behoudt, tenzij schriftelijk anders overeengekomen is, het auteursrecht op zijn bijdrage,
indien deze een van het filmwerk scheidbaar werk vormt. Na het in artikel 45c bedoelde tijdstip mag
iedere maker, tenzij schriftelijk anders overeengekomen is, zijn bijdrage afzonderlijk openbaar maken
en verveelvoudigen, mits hij daardoor geen schade toebrengt aan de exploitatie van het filmwerk.

------------------------

Hoofdstuk VI. Bijzondere bepalingen betreffende computerprogramma's

Artikel 45h

Voor het openbaar maken door middel van verhuren van het geheel of een gedeelte van een werk als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 12°, of van een verveelvoudiging daarvan die door de
rechthebbende of met zijn toestemming in het verkeer is gebracht, is de toestemming van de maker
of zijn rechtverkrijgende vereist.

Artikel 45i

Onverminderd het bepaalde in artikel 13 wordt onder het verveelvoudigen van een werk als bedoeld in
artikel 10, eerste lid, onder 12°, mede verstaan het laden, het in beeld brengen, de uitvoering, de
transmissie of de opslag, voor zover voor deze handelingen het verveelvoudigen van dat werk
noodzakelijk is.

Artikel 45j

Tenzij anders is overeengekomen, wordt niet als inbreuk op het auteursrecht op een werk als
bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 12°, beschouwd de verveelvoudiging, vervaardigd door
de rechtmatige verkrijger van een exemplaar van eerder genoemd werk, die noodzakelijk is voor
het met dat werk beoogde gebruik. De verveelvoudiging, als bedoeld in de eerste zin, die geschiedt
in het kader van het laden, het in beeld brengen of het verbeteren van fouten, kan niet bij
overeenkomst worden verboden.

Artikel 45k

Als inbreuk op het auteursrecht op een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 12°, wordt
niet beschouwd de verveelvoudiging, vervaardigd door de rechtmatige gebruiker van eerder genoemd
werk, die dient als reservekopie indien zulks voor het met dat werk beoogde gebruik noodzakelijk is.

Artikel 45l

Hij die bevoegd is tot het verrichten van de in artikel 45i bedoelde handelingen, is mede bevoegd
tijdens deze handelingen de werking van dat werk waar te nemen, te bestuderen en te testen teneinde
de daaraan ten grondslag liggende ideeën en beginselen te achterhalen.

Artikel 45m

1. Als inbreuk op het auteursrecht op een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder 12°, worden
niet beschouwd het vervaardigen van een kopie van dat werk en het vertalen van de codevorm daarvan,
indien deze handelingen onmisbaar zijn om de informatie te verkrijgen die nodig is om de
interoperabiliteit van een onafhankelijk vervaardigd computerprogramma met andere computerprogramma's
tot stand te brengen, mits:

a. deze handelingen worden verricht door een persoon die op rechtmatige wijze de beschikking heeft
gekregen over een exemplaar van het computerprogramma of door een door hem daartoe gemachtigde derde;
b. de gegevens die noodzakelijk zijn om de interoperabiliteit tot stand te brengen niet reeds snel en
gemakkelijk beschikbaar zijn voor de onder a bedoelde personen;
c. deze handelingen beperkt blijven tot die onderdelen van het oorspronkelijke computerprogramma die
voor het tot stand brengen van de interoperabiliteit noodzakelijk zijn.

2. Het is niet toegestaan de op grond van het eerste lid verkregen informatie:

a. te gebruiken voor een ander doel dan het tot stand brengen van de interoperabiliteit van het
onafhankelijk vervaardigde computerprogramma;
b. aan derden mede te delen, tenzij dit noodzakelijk is voor het tot stand brengen van de
interoperabiliteit van het onafhankelijk vervaardigde computerprogramma;
c. te gebruiken voor de ontwikkeling, de produktie of het in de handel brengen van een
computerprogramma, dat niet als een nieuw, oorspronkelijk werk kan worden aangemerkt of
voor andere, op het auteursrecht inbreuk makende handelingen.

Artikel 45n

De artikelen 16b en 16c zijn niet van toepassing op werken als bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onder 12°.

------------------------

Hoofdstuk VII. Bescherming van na het verstrijken van de beschermingsduur openbaar gemaakte werken

Artikel 45o

1. Hij die een niet eerder uitgegeven werk voor de eerste maal rechtmatig openbaar maakt na het
verstrijken van de duur van het auteursrecht, geniet het in artikel 1 genoemde uitsluitende recht.

2. Het in het eerste lid genoemde recht vervalt door verloop van 25 jaren, te rekenen van de 1e januari
van het jaar, volgende op dat, waarin de eerste openbaarmaking van dat werk rechtmatig heeft plaatsgehad.

3. Het in het eerste lid en in het tweede lid bepaalde geldt tevens voor niet eerder uitgegeven werken
die nooit door het auteursrecht zijn beschermd en waarvan de maker meer dan 70 jaren geleden is
overleden.

------------------------

Hoofdstuk VIII. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 46

1. Bij het in werking treden van deze wet vervalt de wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad nr. 124), tot
regeling van het auteursrecht.

2. Echter blijft artikel 11 van laatstgenoemde wet van kracht ten aanzien van werken en vertalingen,
vóór bedoeld tijdstip ingezonden.

Artikel 47

1. Deze wet is van toepassing op alle werken van letterkunde, wetenschap of kunst, welke hetzij vóór,
hetzij na haar in werking treden voor de eerste maal, of binnen dertig dagen na de eerste uitgave in
een ander land, zijn uitgegeven in Nederland, alsmede op alle zodanige niet of niet aldus uitgegeven
werken, welker makers zijn Nederlanders.

2. Voor de toepassing van het voorgaande lid worden met Nederlanders gelijkgesteld de makers die geen
Nederlander zijn maar die hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, voor zover het betreft niet
uitgegeven werken of werken die zijn uitgegeven nadat de maker zijn gewone verblijfplaats in Nederland
heeft verkregen.

3. Een werk is uitgegeven in de zin van dit artikel wanneer het met toestemming van de maker in druk is
verschenen of in het algemeen wanneer met toestemming van de maker een zodanig aanbod van exemplaren
daarvan, van welke aard ook, heeft plaatsgevonden dat daardoor, gelet op de aard van het werk, wordt
voorzien in de redelijke behoeften van het publiek.

4. De opvoering van een toneelwerk of muziek-dramatisch werk, de uitvoering van een muziekwerk, de
vertoning van een filmwerk, de voordracht of de uitzending in een radio- of televisieprogramma van een
werk en de tentoonstelling van een kunstwerk worden niet als een uitgave aangemerkt.

5. Ten aanzien van bouwwerken en van werken van beeldende kunst die daarmede één geheel vormen,
wordt het bouwen van het bouwwerk of het aanbrengen van het werk van beeldende kunst als uitgave
aangemerkt.

6. Onverminderd het bepaalde in de voorgaande leden is deze wet van toepassing op filmwerken, indien
de producent daarvan in Nederland zijn zetel of zijn gewone verblijfplaats heeft.

Artikel 47a

Deze wet blijft van toepassing op alle werken van letterkunde, wetenschap of kunst, welke voor de eerste
maal vóór 27 december 1949 in Nederlandsch-Indië of vóór 1 oktober 1962 in Nederlands-Nieuw-Guinea
door of vanwege de maker zijn uitgegeven.

Artikel 47b

1. Deze wet is van toepassing op het uitzenden van een in een radio- of televisieprogramma opgenomen
werk door middel van een satelliet, indien de handeling, bedoeld in artikel 12, zevende lid, in
Nederland plaatsvindt.

2. Deze wet is voorts van toepassing op het uitzenden van een in een radio- of televisieprogramma
opgenomen werk door middel van een satelliet, indien:

a. de handeling, bedoeld in artikel 12, zevende lid, plaatsvindt in een land dat niet tot de Europese
Unie behoort of dat niet partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
van 2 mei 1992;
b. het land waar de handeling, bedoeld in artikel 12, zevende lid, plaatsvindt niet het niveau van
bescherming biedt, voorzien in hoofdstuk II van richtlijn nr. 93/83/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het
auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel
( PbEG L 248); en
c. hetzij de programmadragende signalen naar de satelliet worden doorgezonden vanuit een grondstation
in Nederland, hetzij een omroeporganisatie, die in Nederland haar hoofdvestiging heeft, opdracht heeft
gegeven tot de uitzending en geen gebruik wordt gemaakt van een grondstation in een lid-staat van de
Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte van 2 mei 1992.

Artikel 48

Deze wet erkent geen auteursrecht op werken, waarop het auteursrecht op het tijdstip van haar in werking
treden krachtens een der artikelen 13 of 14 der wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad nr. 124), tot regeling
van het auteursrecht, was vervallen, noch op werken, waarvan op bedoeld tijdstip het kopijrecht vervallen
was krachtens artikel 3 der wet van den 25sten Januari 1817 (Staatsblad nr. 5), de rechten bepalende
die in de Nederlanden, ten opzichte van het drukken en uitgeven van letter- en kunstwerken, kunnen
worden uitgeoefend.

Artikel 49

Het auteursrecht, verkregen krachtens de wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad nr. 124), tot regeling van
het auteursrecht, zoomede het kopijrecht of eenig recht van dezen aard, onder eene vroegere wetgeving
verkregen en door genoemde wet gehandhaafd, blijft na het in werking treden van deze wet gehandhaafd.

Artikel 50

[Vervallen.]

Artikel 50a

[Vervallen.]

Artikel 50b

[Vervallen.]

Artikel 50c

1. Hij die vóór 1 september 1912, niet in strijd met de bepalingen van de wet van 28 juni 1881
(Stb. 124) tot regeling van het auteursrecht, noch met die van enig tractaat in Nederland of
Nederlandsch-Indië enige verveelvoudiging van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst,
niet zijnde een nadruk van het geheel of een gedeelte van een zodanig werk, als bedoeld bij artikel
10, 1°, 2°, 5° of 7°, heeft uitgegeven, verliest door het in werking treden van deze wet niet de
bevoegdheid om de vóór dat tijdstip uitgegeven verveelvoudiging, ook wat betreft later vervaardigde
exemplaren, te verspreiden en te verkopen. Deze bevoegdheid gaat over bij erfopvolging en is
vatbaar voor geheele of gedeeltelijke overdracht. Het tweede lid van artikel 47 vindt overeenkomstige
toepassing.

2. Niettemin kan de rechter, op het schriftelijk verzoek van dengene wien het auteursrecht op het
oorspronkelijk werk toekomt, hetzij de in het eerste lid genoemde bevoegdheid geheel of gedeeltelijk
opheffen, hetzij den verzoeker ter zake van de uitoefening dier bevoegdheid eene schadeloosstelling
toekennen, een en ander volgens de bepalingen der beide volgende artikelen.

Artikel 50d

1. Het verzoek tot gehele of gedeeltelijke opheffing van de in artikel 50c genoemde bevoegdheid kan
slechts worden gedaan, indien na 1 november 1915 een nieuwe uitgave der verveelvoudiging heeft
plaatsgehad. Het tweede lid van artikel 47 vindt overeenkomstige toepassing.

2. Het verzoekschrift wordt vóór het verstrijken van het kalenderjaar, volgende op dat, waarin die
uitgave heeft plaatsgehad, ingediend bij de rechtbank te Amsterdam. De griffier roept partijen op
tegen een door de rechter te bepalen bekwame termijn. De zaak wordt in raadkamer behandeld.

3. Het verzoek tot opheffing der bevoegdheid wordt slechts ingewilligd, indien en voor zoover de
rechter van oordeel is, dat het zedelijk belang des verzoekers door de verspreiding en den verkoop
der verveelvoudiging wordt gekrenkt. Geschiedt het verzoek niet door den maker van het oorspronkelijk
werk, dan wijst de rechter het af, indien het hem aannemelijk voorkomt, dat de maker die uitgave der
verveelvoudiging heeft goedgevonden. De rechter wijst het verzoek ook af, indien de verzoeker pogingen
heeft aangewend tot het bekomen eener schadeloosstelling van dengene die de bevoegdheid uitoefent.
De rechter kan het verzoek afwijzen, indien door de opheffing degene die de bevoegdheid uitoefent,
in verhouding tot het te beschermen belang des verzoekers, te zeer zou worden benadeeld. Indien de
rechter de bevoegdheid geheel of gedeeltelijk opheft, bepaalt hij het tijdstip waarop die opheffing in
werking treedt.

4. Bij zijne beslissing maakt de rechter zoodanige bepalingen als hij met het oog op de belangen van
beide partijen en van derde belanghebbenden billijk oordeelt. Hij begroot de kosten van beide partijen
en bepaalt in welke verhouding zij deze zullen dragen. Tegen de rechterlijke beslissingen, ingevolge dit
artikel gegeven, staat geene hoogere voorziening open. Griffierechten zijn ter zake van de toepassing
van dit artikel niet verschuldigd.

Artikel 50e

1. Een schadeloosstelling ter zake van de uitoefening van de in artikel 50c genoemde bevoegdheid kan
slechts worden toegekend, indien na 1 mei 1915 een nieuwe uitgave van de verveelvoudiging heeft
plaatsgehad. Het tweede lid van artikel 47 vindt overeenkomstige toepassing.

2. Het tweede en het vierde lid van het voorgaande artikel zijn van toepassing.

Artikel 50f

[Vervallen.]

Artikel 51

1. De in deze wet voorziene beschermingstermijnen zijn met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding
van dit artikel van toepassing op werken die op 1 juli 1995 in ten minste één lid-staat van de Europese
Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van
2 mei 1992 beschermd worden door de nationale wetgeving op het gebied van het auteursrecht.

2. Deze wet kan een op de dag vóór de dag van inwerkingtreding van dit artikel lopende
beschermingstermijn niet verkorten.

3. Deze wet laat vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel rechtmatig verrichte
exploitatiehandelingen alsmede vóór dat tijdstip verworven rechten onverlet.

4. Hij die met betrekking tot een werk, waarvan de beschermingstermijn vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van dit artikel was verstreken en waarop met ingang van het tijdstip van
inwerkingtreding van dit artikel deze wet weer van toepassing is, vóór 24 november 1993 rechtmatig
exploitatiehandelingen heeft verricht, is bevoegd deze exploitatiehandelingen met ingang van het
tijdstip van inwerking van dit artikel voort te zetten.

5. Rechten die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel herleven of verlengd worden komen
tot het verval van deze rechten toe aan degene die laatste rechthebbende zou zijn geweest als de
herleving of verlenging niet had plaatsgevonden, tenzij anders is overeengekomen.

Artikel 52

Deze wet kan worden aangehaald onder den titel "Auteurswet 1912".

Artikel 53

Deze wet treedt in het Rijk in Europa in werking op den eersten dag der maand volgende op die, waarin
zij afgekondigd wordt.

------------------------